Home
⪡JanAndGraceSubNav⪢
Raar? Maar Waar!
ETCETERA 135, JG. 31 [01/12/2013]
Raar? Maar Waar!
Etcetera 135, jg. 31 - 01/12/2013

Raar? Maar Waar!, een voorstelling voor kinderen van Grace Ellen Barkey en Lot Lemm, is nog niet zo lang aan de gang als een kleine jongen voor mij lichtjes teleurgesteld opmerkt 'dat er geen verhaal is'. Daarop merken de ouders sussend op dat dat komt omdat het 'dans' is. Dat blijkt een afdoende remedie, want de rest van de voorstelling kijkt het kind met volle belangstelling naar het geburen. Het zegt misschien iets over wat we onder de term 'dans' verstaan: praktijken op een podium waar geen verhaal aan te pas komt. Maar al zijn een paar scenes onmiskenbaar louter dans, toch rammelt hun uitleg. Ze kozen het verkeerde woord. Dit is theater. Doen alsof. Maar wel op behoorlijk onbeschaamde wijze. Tot het net echt wordt. Terwijl nagenoeg het hele Needcompany ensemble op tournee was in China bedachten thuisblijvers Grace Ellen Barkey en Lot Lemm dit stuk voor kinderen. Maar wat is er precies zo kinderlijk aan, of waarom denken Lemm&Barkey dat dit materiaal geschikt is voor kinderen? Als je hun geschiedenis gevolgd hebt, dan zie je immers in de eerste plaats iets anders: een snelle montage van beelden uit eerdere voorstellingen waar de performers nogal vrolijk mee aan de slag gaan. De scenografie bijvoorbeeld. Het podium hangt vol kunststofpanelen bekleed met drukke, kleurrijke decoratieve motieven, als van matrassen of gordijnen in een ouderwets interieur. Precies hetzelfde beeld domineered Chunking, een voorstelling uit 2005. (Meer zo'n elementen uit Chunking zie je later, als er mythologische beesten, uitgezaagd multiplex, over het podium zweven.) Die panelen worden ook in Raar? Maar Waar! levende decorelementen. Van in het begin leiden ze, schijnbaar toch, een eigen leven: ze schuiven zomaar over het podium. Het duurt echter niet lang of achter één of ander paneel steekt wel een acteur zijn kop op om - gespeeld pronkstuk - de verklaring van dit mysterie van bezielde materie weg te geven. Die panelen zijn niet de enige dingen die tot leven komen. Het stuk opent met geluiden van een gierende wind, of toch geslaagde imitaties ervan. Het eerste personage is een bootje in bordkarton. Het schuift voorbij aan een touwtje. Er wordt geen moeite gedaan om dat touwtje te verbergen. Er wordt, integendeel, veel moeite gedaan om dat touwtje te tonen. Al snel hoor je gemompel van een man, Benoît Gob, die even later, in kapiteinsuniform, brabbelend in een rare mengeling van Frans en Nederlands, voor het voetlicht komt. In zijn zog volgt Sung-Im Her als scheepsmaatje van dienst. Dat weet je door haar matrozenpetje en -truitje, al heeft ze daar dan een vreemd pofbroekje, als overmaats ondergoed, onder aan. Die twee moeten niet alleen de elementen trotseren maarook gevaarlijke dieren, zoals een bordkartonnen vis en een ditto vervaarlijke haai. Sung-Im is blauw van de schrik voor de haai en loopt telkens gillend weg. Al zag ik zelden een vrouw zo genieten van haar schrik. Geen wonder: om de haverklap duikt Maarten Seghers met zijn grijnzende, bepruikte kop van achter een paneel op om de kijkers met een vette knipoog te tonen dat hij de vis aanstuurt, en het gevaar dus enkel denkbeeldig is. Als er nu een mechanisme is dat ik in mijn herinnering verbind met jeugdtheater, dan is het wel dat: iemand die je bezweert dat het allemaal zo erg niet is. Dat het 'maar' theater is. Dat doen we immers met kinderen. Als er zich iets vreemds aandient, dan bezweren we het gevaar door het ding 'uit te leggen'. Gewoonlijk komt dat erop neer dat we het een naam geven. 'Trek het je niet aan, dat is maar een hond.' Het beest wordt er niet anders of minder gevaarlijk door. Maar net omdat er een woord voor is, lijken we het ook meester te zijn. Net wat de ouders in het begin zeiden toen hun zoon ongemakkelijk werd: 'Het is dans.' Wellicht is dat ook 'nodig' bij een kindervoorstelling. Anders dan volwassenen nemen kinderen een beeld als vanzelfsprekend voor waar aan. Wat zich voordoet is werkelijk. Dat volwassenen plaatsen bedachten om dingen te laten gebeuren waar ze zelf niet in geloven, is voor hen een brug te ver. Vanuit hun standpunt overigens terecht: ze merken namelijk dat diezelfde volwassenen geraakt of opgewonden raken door wat dan volgens hun Eigen zeggen 'niet echt' is. Barkey gaat echter heel ver in haar demonstratie dat wat we zien slechts spel, een kunstgreep is. In een prachtige scene, ontleend uit The Porcelain Project komen Mohamed Toukabri en Sung-Im Her op in een reusachtig crinoline-kleed, een soort overmaatse lampenkap. Plots stijgen ze hoog op, als onnatuurlijk grote reuzen, zonder dat je meteen merkt hoe dat komt. Tot Toukabri weer neer wil dalen. De man die hem draagt – uiteraard alweer stoorzender Seghers - gehoorzaamt echter niet. Zelfs niet als Toukabri zijn hoofd omhult en er een stevige tik opgeeft. De (niet zo) verborgen bedrieger wordt zo een centrale figuur, ook in overdrachtelijke zin, van dit stuk. Hij stelt de kijker wel gerust, maar die geruststelling is niet zo betrouwbaar, want als puntje bij paaltje komt blijkt hij zijn eigen gang te gaan, en die gang is onvoorspelbaar. Neem nu de scene uit This door is too small (for a bear) die hier overgedaan wordt. Gob komt op als een teddybeer die de was wil doen. Seghers heeft zich echter verstopt in de wasmachine van PU-schuimpanelen en gooit de kleren telkens weer naar buiten. Sung-Im Her en Catherine Travelletti sarren de beer door zijn strijkplank weg te slepen aan een touwtje. Het bedrog dient hier niet om een illusie te realiseren. Ook voor kinderen is dit iets anders dan een haai die 'echt maar' van bordkarton is. De wasmachine en de strijkplank 'leven' duidelijk niet. Het zijn de acteurs die ze aansturen met een duidelijk doel: de beer pesten. Meteen zijn we aanbeland bij het einde van het stuk. Net als in Chunking en This door ... duiken alle spelers nu op in bont gekleurde, gehaakte kostuums, overduidelijk geïnspireerd op knuffeldieren. Het soort objecten dat een bedreigende buitenwereld domesticeert tot een knus, mooi benoemd binnen. Je zou het nooit in je hoofd halen een echte beer te knuffelen wellicht, maar een knuffelbeer. Voor die kostuums haalde Barkey de mosterd ongetwijfeld bij de knuffeldieren van Mike Kelley. Ze vertellen het verhaal van een valse kinderlijke onschuld, een wereld waarin er bordjes die we voor de dingen hangen nooit precies de lading blijken te dekken. Neem nu het kostuum van Travelletti: een life beest, jawel, maar haar blote benen benadrukken de brede lap, als een luier, die haar schaamstreek bedekt, zo nadrukkelijk dat het bijna obscene wordt. De soms expliciete seksuele referenties die anders opduiken in Barkeys werk ontbreken dan wel in dit stuk voor kinderen (hoewel…), de rare onschuld van de gehaakte beesten roept toch een amorfe seksualiteit op. Daarom is dit theater. Het zegt voortdurend: dit is niet echt. Of eerder: dit is te echt, want we weten heel precies hoe het allemaal in elkaar steekt. Alles heeft een naam en een plaats. Maar anders dan in serieus theater loopt het allemaal in het honderd. Het wordt soms menens, het wordt soms gemeen, het wordt soms net niet expliciet. Dat is natuurlijk de reden waarom ook de ouders smullen van die stuk. Ze zien bevestigd wat ze al dachten: we hangen elkaar allerlei bordjes voor, we dissent elkaar verhaaltjes op. Zoete broodjes met een bittere nasmaak. Ik denk alleen: ook kinderen steken daar iets van op. Ze leren er iets van. Maar ouders, net als kinderen, leren ook iets anders. In het theater van Lemm&Barkey kan alles, en is alles mogelijk. Het is misschien een ongemakkelijke plaats, maar het is ook een vrijplaats. Vals spelen, verkeerde namen geven aan verkeerde dingen, het bevrijdt je ook van de 'idées reçues’. Eigenlijk verschilt dat niet zoveel van wat het duo anders en elders doet. Ook dat is theater. Of was het nu dans? Ah, laten we die namen vergeten.

Pieter T'Jonck
⪡Left⪢
⪡Right⪢
⪡RightExtra⪢